Home » Tijdschrift

De gouden eeuw van de Islam

Thessa Lageman

De vroege middeleeuwen waren voor West-Europa een duistere periode van stilstand en armoede. Na de val van het Romeinse Rijk en de invallen van barbaarse stammen heerste er anarchie en waren er voortdurend oorlogen. Ondertussen vond er in de islamitische wereld juist een uitzonderlijke bloei plaats. Vooral in de periode van halverwege de achtste eeuw tot het midden van de elfde eeuw floreerden de economie, wetenschappen en kunst. Deze vrij plotselinge bloeitijd volgde op de islamitische veroveringen van een gebied dat van Spanje tot India reikte.

De rechtgeleide kaliefen van Medina Na de dood van de profeet Mohammed in 632 werd Aboe Bakr, schoonvader van de Profeet, gekozen tot de eerste kalief (opvolger van Mohammed in wereldlijke zin). Al aan het eind van de regering van de tweede kalief, Oemar (634-644), was het hele Arabische schiereiland en grote delen van het huidige Iran, Syrië en Egypte veroverd. Inmiddels was een machtstrijd uitgebroken over wie de juiste opvolger van de Profeet was en zowel de tweede, derde als vierde kalief werden vermoord. Toch wordt deze periode in de islamitische geschiedenis herinnerd als een glorieuze tijd waarin de vier zogenoemde rechtgeleide kaliefen, de eerste vier kaliefen na de dood van Mohammed, als vrome metgezellen van de Profeet de moslims op zuiver islamitische wijze regeerden. De splitsing tussen de Sjiieten en de Soennieten heeft zijn oorsprong in de eerste burgeroorlog tussen de moslims van 656 tot 661. De Sjiieten waren van mening dat de vierde kalief ‘Ali de rechtmatige opvolger van de Profeet was; de Soennieten steunden Moe‘awiya, die na de moord op ‘Ali de vijfde kalief werd. Later kwamen er naast deze politieke scheiding ook religieuze verschillen tussen beide stromingen.

Het Oemayyadenkalifaat van Damascus Kalief Moe‘awiya verplaatste het centrum van de macht van Medina naar Damascus en zorgde ervoor dat zijn opvolgers net als hij van de Oemayyadenfamilie, een belangrijke clan uit Mekka, kwamen. De veroveringen van de tot dan toe bekende wereld gingen ondertussen in razendsnel tempo door. De islamitische legers bezetten de Maghreb en staken over naar het Iberisch schiereiland. In het oosten bereikten de troepen Transoxanië (Oezbekistan) en Noordwest-India.
   
De vraag dient zich aan hoe de Arabieren er in zo korte tijd in slaagden gebieden te veroveren waar al eeuwenlang verontwikkelde beschavingen bestonden. Irak en Iran maakten deel uit van het Perzische Sassanidische Rijk en Syrië en Egypte waren provincies van het Byzantijnse Rijk. Deze gebieden waren echter verzwakt geraakt door voortdurende interne opstanden. Veel christenen en joden waren daarnaast beter af onder de Arabieren dan onder de overheersing van de minder tolerante orthodox-christelijke Byzantijnen en de zoroastrische Sassaniden.
   
De Arabieren hadden immers weinig steden tijdens de invasies verwoest of geplunderd, op het goud uit de Byzantijnse kerken en de Sassanidische paleizen na. Er veranderde voor de mensen dan ook aanvankelijk weinig. De Arabieren maakten gebruik van de ervaring van de plaatselijke bevolking op het gebied van onder meer het bestuur, het innen van belastingen en de rechtspraak. Het islamitische rijk was dus niet een plotseling opkomende beschaving, maar borduurde voort op de culturen van de veroverde gebieden.


Wil je het hele artikel lezen? Dat kan door een mail te sturen naar info@sillenmedia.nl en de betreffende editie  (01.4) te bestellen.

terug

Klik voor grotere kaart